Wir verwenden Cookies, um die Benutzerfreundlichkeit dieser Webseite zu erhöhen (mehr Informationen).

Werner Gitt

En Hij bestaat toch!

Aus dem Inhalt: „Klar ist, dass niemand beweisen kann, dass es keinen Gott gibt, aber ist andererseits seine Existenz beweisbar? Wenn das Letztere möglich ist, dann sind die atheistischen Verbände einem Irrtum aufgesessen. Kann man darüber hin­aus zeigen, dass es den biblischen Gott gibt, dann gehen die Atheisten auf die Hölle zu, denn die Bibel sagt: „Deren Los ist die dunkelste Finsternis“ (Judas 13b).“

Dieses Traktat eignet sich besonders gut zur Weitergabe an suchende Menschen!

8 Seiten, Best.-Nr. 125-27, Kosten- und Verteilhinweise | Eindruck einer Kontaktadresse



En Hij bestaat toch – onze God

Veel mensen proberen, wanneer het over het thema ‘God’ gaat, eraan voorbij te gaan. Maar zo goed lukt het hen niet.

In London hebben atheïsten reclame willen maken, aan de rode dubbeldekkers, dat er geen God is. Dat ging in elk geval mis bij de Engelse reclame wet, waar alleen reclame kan worden gemaakt, dat met concrete feiten te bewijzen is. Maar niemand van de reclamemakers kon aantonen dat er geen God is. Als uitweg veranderden ze hun slogan dat er ‘waarschijnlijk’ geen God bestaat. Maar hun uitspraak hield logischerwijze ook een waarschijnlijkheid in dat er wel een God bestaat, wat sommigen tot nadenken bracht over de vraag van Gods bestaan.

In Duitsland werd de reclamecampagne van de atheïsten aan openbare bussen in het begin helemaal niet toegestaan. Daarom besloot men om met een eigen reclamebus door Duitsland te gaan rijden. De Duitse slogan werd tegenover de Engelse nog verscherpt: ‘Er is (met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid) geen God’. Men vraagt zich toch af als denkend mens, waarom trekken de atheïsten te velde tegen iets, dat toch volgens hun opvatting helemaal niet bestaat?

Duidelijk is dat niemand kan bewijzen dat er geen God is, maar is, aan de andere kant, Zijn bestaan te bewijzen? Wanneer dat laatste mogelijk is, dan zijn de atheïstische genootschappen op een dwaling gebaseerd. Kan men bovendien aantonen, dat de Bijbelse God bestaat, dan gaan de atheïsten naar de hel, want de Bijbel zegt: ‘voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt’ (Judas13b). Een grotere ramp bestaat er niet!

We willen hier op de vraag naar het bestaan van God met hulp van twee nieuwe bewijzen van Gods bestaan antwoorden. De formulering in Romeinen 1:21: ‘Want hoewel zij God kenden’ is een zeer sterke uitspraak en betuigt ons dat God Zich ook buiten de Bijbel openbaart en dus bewijsbaar heeft gemaakt. Maar wanneer bewijzen van Gods bestaan niet direct tot geloof leiden, hebben zij toch een belangrijke functie: ze weerleggen het atheïsme en zijn geschikt om menige geloofsverhindering af te bouwen of helemaal uit de weg te ruimen. Oudere bewijzen van Gods bestaan stammen bijvoorbeeld af van Aristoteles, Anselmus van Canterbury en Thomas van Aquino. Op deze plaats noemen wij twee bewijzen van Gods bestaan, die pas in de laatste jaren door de auteur van dit traktaat ontwikkeld werden, namelijk de uit de natuurwetten van de informatie en de profetische wiskunde:

Het bewijs van Gods bestaan uit de natuurwetten van de informatie

Op grond van de natuurwetten over de informatie weten wij, dat de reusachtige informatie massa in de cellen van alle leefwezens een intelligente Schepper nodig heeft. Tegenover de historische bewijzen van Gods bestaan, die verregaand filosofisch georiënteerd zijn, hebben wij hier ten eerste een natuurwettelijk bewijs voor het bestaan van een intelligente Zender en daarmee voor het bestaan van een God. Op Kant, die 200 jaar geleden leefde en als de grootste vernietiger van de bewijzen van Gods bestaan wordt aangezien, kunnen wij ons in geen geval beroepen omdat toen slechts een brokstuk van de huidige natuurwetenschappelijke ontdekkingen bekend was. Uitvoerig is de bewijsvoering in mijn boek ‘Am Anfang war die Information’ [1] (In het begin was er informatie) uitgelegd.

Het ‘profetische-wiskundige bewijs van Gods bestaan’

De Bijbel bevat meer dan 3000 profetische uitspraken, die al vervuld zijn. Als een goed na te trekken voorbeeld kan hier in Deuteronomium 28:64-65 de door God aangekondigde verstrooiing van het volk Israël genoemd worden, dan de in Jeremia 16:14-15 toegezegde terugkeer in het beloofde land, die in het jaar 1948 na bijna 2000 jaar door de vorming van de staat Israël gedeeltelijk in vervulling ging. Deze kwaliteit bezit geen ander boek in de wereldgeschiedenis. Daarmee is aan ons een uniek criterium om de waarheid te beproeven in onze hand gegeven. Is het mogelijk dat mensen, over een tijdsperiode van 1500 jaar verspreid, zoveel exacte voorspellingen konden doen? Zijn ze toevallig uitgekomen of was dat alleen mogelijk, omdat God de Auteur van de Bijbel is, Die op grond van Zijn alwetendheid profetieën kan geven, die dan ook aan de afloop van de geschiedenis te controleren zijn?

Kunnen wij proberen voor te stellen wat dat betekent? Wij willen dat in een model illustreren: Men stelt zich een buitengewone grote hoop met zwarte mieren voor, waarin zich onder alle zwarte mieren slechts één rode mier bevindt. Het is gemakkelijk in te zien: Hoe groter de genoemde hoop wordt, hoe kleiner is de waarschijnlijkheid dat men een rode mier (bijv. met geblindeerde ogen) eruit grijpt. De vraag luidt nu:

Bij welk aantal mieren is de waarschijnlijkheid, om de rode mier toevallig eruit te grijpen, juist precies zo groot, zoals het feit, dat er 3268 profetieën konden uitkomen?

Wij beginnen met een schatting: Is een bad met water vol met mieren genoeg of moet de watermassa van het Bodenmeer door mieren worden verplaatst of is zelfs het volume van de aarde nodig om dat met mieren te vullen? De berekening laat zien: Het zijn er altijd nog te weinig. Wat nu? Moet men misschien denken, ons reusachtige en onvoorstelbaar grote heelal vol met mieren te vullen of zelfs twee of drie daarvan. Misschien zelfs honderd (tien tot de tweede macht) of duizend (tien tot de derde macht)? Pas de wiskundige berekening overtreft al onze voorstellingen en noemt ons de daadwerkelijke menigte van meer dan één universum. Het is onbegrijpelijk: 10 tot de 896e macht. Wat drukt zo’n immens getal – dus een 1 gevolgd door 896 nullen – van tot de rand toe met mieren gevuld heelal uit?

De waarschijnlijkheid, dat meer dan 3000 profetieën toevallig konden worden vervuld, is dus praktisch nihil. De resultaten van de getallen van de wiskundige berekeningen groeien zodanig in het gigantische en trans astronomische dat ons denken en voorstellingsvermogen overweldigd zijn, om deze realiteit nog passend in te schatten. Het uitvoerige wiskundig bewijs is in mijn boek ‘So steht es geschrieben [2] verstrekt. Het verbazingwekkende resultaat laat zich kort samenvatten:

Door het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’ kan het bestaan van een alwetend en almachtig God bewezen worden, die met de God van de Bijbel identiek is.

1. De Bijbel is van God en ze is waar

Geen mens is in staat profetieën te formuleren, die zich dan zonder uitzondering vervullen. De ware Auteur van de Bijbel is de alwetende en almachtige God (2 Timotheüs 3:16). Daarom is de hele Bijbel waar. De Heer Jezus bidt tot de Vader: ‘Uw Woord is de waarheid’ (Johannes 17:17) en Paulus verklaart: ‘Ik geloof alles, wat in de wet en profeten geschreven staat’ (Handelingen 24:14). Hij vertrouwde God ook zonder het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’

2. Er is geen andere God dan de God van de Bijbel

Geen van de in het verleden aangevoerde bewijzen van Gods bestaan bevestigt een bepaalde God. Ze zijn allemaal zo algemeen gehouden, dat elke religie ze voor hun godsdienst nuttig kan maken. Het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’ daarentegen wijst ondubbelzinnig heen naar de God van de Bijbel en Zijn Zoon Jezus Christus. Een zodanig bewijs kan van geen enkele van de goden in de andere godsdiensten worden geleverd. Daartoe passend zegt de Bijbel, dat de mensen in hun religies ontelbare goden genoemd hebben: ‘Want al zijn er ook die goden genoemd worden, hetzij in de hemel, hetzij op de aarde (zoals er vele goden en vele heren zijn) dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn en wij door Hem’ (1 Korinthe 8:5-6). In Psalm 96:5 verwerpt de Bijbel alle afgoden in de religies: ‘Alle goden van de volken zijn afgoden’.

De afgoden te dienen is geen neutrale aangelegenheid. In de geschiedenis van de verzoeking in de woestijn (Mattheüs 4:8-10) verlangde de duivel dat de Heer Jezus hem zou aanbidden. Met één woord uit de Bijbel verjoeg de Heer Jezus hem: ‘De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen dienen’ (Mattheüs 4:10). Volgens de uitspraken van het Nieuwe Testament dient men in de afgodendienst de boze geesten, dus de demonen (1 Korinthe 10:20). En staat daarmee uiteindelijk de duivel de aanbidding toe, die de Heer Jezus hem zo hartstochtelijk weigerde. Afgodendienst is zonde, die tot zulke bepaalde zonden behoren, die van het koninkrijk van God uitsluiten (1 Korinthe 6:9-10, Galaten 5:20-21; Openbaring 21:8; 22:15).

3. Het atheïsme is weerlegd

Het atheïsme kan op tweevoudige wijze weerlegd worden – met hulp van natuurwetten van de informatie en door het ‘profetisch-wiskundig bewijs van Gods bestaan’. De Bijbel spreekt over het atheïstische denken in Psalm 14:1: ‘De dwaas spreekt in zijn hart: er is geen God’. Verderop staat er: ‘Maar de goddeloze zal het (in eeuwigheid) niet welgaan’ (Prediker 8:13). De atheïsten tasten dus niet alleen mis maar bevinden zich ook op de weg naar het eeuwige verderf. ‘Maar wie niet (in de Heer Jezus) gelooft, zal veroordeeld worden’ (Markus 16:16).

Er is redding mogelijk

Deze brochure wil niemand wegens zijn tot nu toe geleefde leven aanklagen – noch echtbrekers, noch bedriegers, noch vertegenwoordigers van verschillende godsdiensten noch de zendelingen van het atheïsme. Veel meer is het onze wens om op wegen van verlorenheid attent te maken en alle lezers uitnodigend toe te roepen: In dit leven is er nog voor elke zondaar omkeer mogelijk. In Johannes 3:17-18 is de verregaande consequentie, die het evangelie voor ons heeft, kort samengevat: ‘Want God heeft Zijn Zoon (Jezus) niet in de wereld gezonden opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld. Maar wie niet gelooft, is reeds geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de eniggeboren Zoon van God’.

Omdat God de eeuwigheid in ons hart heeft gelegd (Prediker 3:11), kunnen wij in al de dingen van ons aardse leven geen werkelijke vervulling vinden. Wij zijn schepselen voor de eeuwigheid en daarom houdt ons bestaan ook nooit op. Aan de andere zijde van de doodsmuur zijn er slechts twee verblijfplaatsen – de hemel of de hel. De hemel is onuitsprekelijk heerlijk, de hel is onuitsprekelijk verschrikkelijk. De wens van God is om ons in de hemel te hebben. Daartoe hebben wij de Heer Jezus nodig. Hij is de deur naar de hemel, omdat Hij ons van onze schuld wil bevrijden en ons een nieuw perspectief voor het leven wil schenken. Wanneer u de wens hebt om gered te worden en in de hemel te komen, moet u zich van uw oude weg zonder de Heer Jezus afwenden en de Heer Jezus in uw leven toelaten. Deze levensomkeer kunt u in een gebed doen. Dat gebed kan als volgt zijn:

‘Heer Jezus Christus, Uw naam ken ik. Ik heb tot nu toe zo geleefd, alsof U niet bestond. Nu heb ik ingezien, wie U bent en daarom wend ik mij voor de eerste keer in het gebed tot U. Ik weet nu dat er een hemel is en ook een hel. Redt mij daarom van de hel, waarin ik vanwege al mijn schuld, in het bijzonder mijn ongeloof, eigenlijk terecht zou komen. Het is mijn wens om eenmaal tot in alle eeuwigheid bij U in de hemel te zijn. Ik ben mij er van bewust, dat ik niet door eigen verdiensten, maar slechts door het geloof in U in de hemel kan komen. Omdat U mij lief hebt, bent U ook voor mij aan het kruis gestorven en hebt al mijn zonden op U genomen en voor mij betaald. Ik dank U daarvoor. U ziet al mijn schuld, ook die vanaf mijn jeugd. Iedere zonde van mijn leven is bij U bekend – alles, wat mij nu bewust is, maar ook alles, wat ik al lang vergeten ben. U weet alles over mij, want U kent mij heel precies. Met elke opwelling van mijn hart bent U vertrouwd, of het vreugde of droefheid, geluk of vrees is. Voor U ben ik een opengeslagen boek. Dus zoals ik ben en hoe ik tot nu toe geleefd heb, kan ik niet voor U en de levende God bestaan en daarom zou ik de hemel mislopen. Daarom vraag ik U, vergeef mij al mijn schuld. Van mijn zonden heb ik oprecht spijt. Help mij alstublieft, alles weg te doen, wat voor U niet goed is en schenk mij nieuwe gewoontes, die onder uw zegen staan. Open voor mij de toegang tot Uw Woord, de Bijbel. Help mij dat ik begrijp wat U mij daarin wilt zeggen en dat ik in Uw Woord nieuwe kracht en levensvreugde vind. U zult van nu af aan mijn Heer zijn, bij Wie ik graag hoor en Wie ik wil volgen. Geef mij daartoe een gehoorzaam hart. Toon mij alstublieft de weg, die ik nu moet gaan. Ik dank U, dat U mij verhoord hebt. Ik geloof Uw beloftes, dat ik nu door mijn komen tot U een kind van God geworden ben dat eenmaal eeuwig bij U in de hemel zal zijn. Ik verheug mij over dit grote gewin om U nu al in elke situatie aan mijn zijde te hebben. Help mij alstublieft daarbij om mensen te vinden, die ook persoonlijk in U geloven en laat mij een Bijbels georiënteerde groep gelovigen vinden, waar ik regelmatig Uw Woord kan horen. Amen’.

Dr. Ing. Werner Gitt
Directeur en Professor